Gisteren ben ik meegegaan met de werkgroep VNeL van IVN afdeling de Maasdorpen naar een mooi veldje in de buurt van het Noord-Limburgse Swolgen. Na de natuurwerkdag vorige week kreeg ik zin om vaker op deze manier actief in de natuur bezig te zijn. Het is weer eens wat anders dan bosmieren onderzoeken of springstaarten bestrijden in de goten in een kas. Het werk in het veld bestond uit het weghalen van de berkenopslag.

geleweidemier-1Tussen de berken en in het open veld liggen tientallen nesten van gele weidemieren (Lasius flavus). Deze nesten zijn goed herkenbaar als stevige aarden bulten in het veld. De grond die ze weggraven uit hun ondergrondse nesten dragen ze naar buiten en gooien ze op een grote hoop tussen de begroeiing. Dankzij de bewerking door de mieren krijgt de grond bijzondere eigenschappen, waardoor de nesten met allerlei planten begroeid raken. Dit is een groot verschil met bosmieren, die hun nesten juist zo schoon en kaal mogelijk houden.

Bij bosmieren kan ik in deze tijd van het jaar aan de hand van een reeks eenvoudige temperatuurmetingen onderzoeken of een nest bewoond is of niet. Ik vroeg me af of dit ook bij de nesten van de weidemieren zou kunnen werken. Met twee soorten thermometers meet ik de oppervlaktetemperatuur op een aantal plaatsen en de temperatuur op 10cm diepte. Dat doe ik in het nest, maar ook in de omgeving. Zo kan ik de nesttemperatuur vergelijken met de temperatuur van de omgeving. Deze proef heb ik gisteren bij verschillende nesten uitgevoerd. Een nest dat in het open veld lag met direct zonlicht, een nest dat al de hele dag in de schaduw van berken lag en drie willekeurige andere nesten.

Het eerste nest lag in de zon. Aan de zonzijde was de oppervlaktetemperatuur 11 °C, aan de schaduwzijde 6 °C. De temperatuur in het nest was aan alle zijden constant, namelijk 4,4 °C. De temperatuur in de bodem buiten het nest was 6°C. Bij het nest in de schaduw was de oppervlakte rondom -0°C. Het had ’s nachts gevroren die kou zat nog op het nest. De temperatuur binnenin was ook 4,4 °C en in de bodem buiten het nest was de temperatuur gelijk als die in het open veld, namelijk 6°C. Bij de drie andere nesten varieerden de oppervlaktetemperaturen van het nest, maar kwam de binnentemperatuur ook uit rond 4,4 °C. Bij één nest lag deze iets lager, namelijk op 4,0°C. Dit was een klein en vers nest en daardoor misschien gevoeliger voor de nachtelijke kou.

De constante temperatuur in de nesten had ik wel verwacht, maar niet dat deze lager zou liggen dan die van de bodem in de omgeving. Na er een nachtje over geslapen te hebben kom ik op een verklaring die ik best eens zou willen onderzoeken. De weidemieren leven van de afscheiding van wortelluizen. Plantenluizen planten zich bij hogere temperaturen sneller voort, maar dat proces komt in de winterse kou tot stilstand. In de winter brengen de weidemieren de eitjes van de wortelluizen in veiligheid in speciale kamertjes in hun nest. De temperatuur in die kamertjes mag, volgens mijn verklaring, niet te hoog zijn, want anders komen de eitjes ’s winters te vroeg uit en zouden de larven verkleumen.

Het in leven houden van de luizen is van levensbelang voor de weidemieren, omdat deze in het voorjaar weer moeten worden teruggebracht naar hun waardplant. Temperatuurregulatie is hiervoor noodzakelijk. De losse samenstelling van de grond, de chemische samenstelling en de vorm van van het nest kunnen hier allemaal een rol in spelen. Leuk om dat een keer te gaan onderzoeken.

Links

 

 

 

 

 

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Leave a Reply